Boekrecensie: Edda – Snorri Sturluson

Snorri Sturluson schreef in 1222 de Edda, een handboek voor dichters. Maar de Edda is meer dan een richtlijn voor middeleeuwse dichters, het is ook een geweldige collectie van Noordse sagen en mythen. Thor, Loki, Odin, reuzen en magische dieren, ze komen allemaal voor in dit geweldige boek.

In 999 na Christus deed het geschreven woord -samen met en dankzij het Christendom- zijn intrede in IJsland. Het voordeel hiervan was dat alle oude sagen eindelijk opgeschreven konden worden, het nadeel was dat deze verhalen werden voorgegaan door een rij disclaimers, want in het Christendom was er natuurlijk maar een god. Dus werd er benadrukt dat de verhalen over Odin en de zijnen, niets anders zijn dan verhaaltjes.

Zonde, want het scheppingsverhaal uit de Edda vind ik boeiender dan het scheppingsverhaal uit de bijbel. Odin (ook wel bekend als de Alvader, Weldoener, Veranderlijke, Gemaskerde, Veelweter en nog -tig namen) en zijn broers, Vili en Vé, doodden met zijn drieën de reus Dubbel. Van zijn vlees maakten ze de aarde, van zijn bloed de zeeën en meren. Ze gebruikten zijn botten en tanden om bergen, puin en grind te maken en tot slot maakten ze de hemel van zijn schedel.

Je begrijpt al, de oude Noordse goden waren zeer beschaafde figuren. Niet alleen was de schepping van de aarde een waar bloedbad, de goden, reuzen, dwergen en mensen konden blijkbaar niet met elkaar omgaan zonder elkaar te vermoorden. Zo dacht ik altijd dat Thor met zijn moker Mjöllnir een rechtvaardige god was, maar niets is minder waar. Thor was een heuse hysterica, die om het minste of geringste naar zijn moker greep en een ieder die hem dwarsboomde probeerde dood te slaan.

Maar, de Edda draait niet zozeer om de verhalen zelf, maar om hoe de oude IJslandse dichters deze verhalen op moesten schrijven. En dan gaat het niet zozeer om het rijmschema of het metrum, maar meer om hoe je zaken aan moet duiden. Want een echt goede dichter, noemde eigenlijk niets bij zijn naam. Zo werd Odin zelden bij zijn naam genoemd, maar bij een van zijn vele bijnamen of hij werd aangeduid als ‘de broer van Vili’ of ‘de zoon van Bor’.

Door deze omslachtige manier van duiden, zijn de oude gedichten soms moeilijk te lezen, ook al heeft Marcel Otten de Oudijslandse teksten geweldig vertaald naar begrijpelijk modern Nederlands. Gelukkig legt Snorri Sturluson in zijn oorspronkelijke teksten ook uit waar de bijnamen en duidingen vandaan komen, waardoor je als lezer zowaar enige logica ontdekt. Hoe poëtischer de omschrijving, hoe beter, lijkt het haast.

De hoofdstukken met opsommingen van synoniemen kunnen soms vermoeiend zijn om te lezen, maar de Edda is sowieso geen boek wat je in een ruk van kaft tot kaft moet lezen. De paar verhalen die er in staan kun je wel in een ruk verslinden, maar het is beter om zuinig aan te doen met de vele verzen.

Gelukkig heeft vertaler Otten niet alleen een uitgebreide inleiding geschreven, maar achterin het boek staat een compleet register en een uitgebreide notenlijst, waardoor de gedichten plots heel leesbaar worden. Tevens heeft hij de levensgeschiedenis van Snorri Sturluson opgeschreven, welke net zo tragisch is als dat van de goden.

Al met al is de Edda meer dan een historisch document, maar ook een geweldige verzameling verhalen, die dankzij Otten enorm leesbaar zijn. Dit boek krijgt dan ook vijf van de vijf gouden kogels, want dit soort verhalen zijn te mooi, interessant en indrukwekkend om verloren te laten gaan.