Ik lijd aan het, persoonlijk ontdekte, Peter Pansyndroom. Dit is een volledige, niet ge-googlede en zelfreflecterende diagnose. Lang heb ik er over nagedacht, het geprobeerd te negeren en zelfs te genezen. Maar deze bijzondere aandoening verdient een naam. En erkenning. Ik ben er echter ook achtergekomen dat de, naast dat het erfelijk is (mijn moeder, 57, heeft er ook last van) , kans op genezing nihil is.
Het Peter Pansyndroom is het beste te omschrijven als “In je gedachten niet ouder willen en kunnen worden dan een kind van twaalf, en daar ook nog van genieten” Het moment dat ik me voor het eerst realiseerde dat ik aan deze afwijking leed was ik 15, misschien 16 jaar. Er was een vriendinnetje blijven slapen na het uitgaan. Ik zette ’s ochtends de TV aan op Cartoon Network en de gefronste wenkbrauwen van mijn vriendin gaven mij het benauwde gevoel dat ze er zojuist toch achter was gekomen dat ik met haar vriendje had gezoend. Gelukkig was dat niet het geval. De werkelijke reden voor haar verontwaardigde portret volgde namelijk al snel: “iiiieeeewww, kijk jij nog tekenfilms?” “uuhm, ja, jij niet dan? Leuk, toch?” “ Nee DUH, tuurlijk niet. Dat is voor kinderen, trut. Zet eens even gauw op TMF, dit kan écht niet hoor. Tssss…” Uiteraard elimineerde ik haar als vriendin, wat dacht ze wel niet? In mijn huis, nota bene!
In de jaren daarna verdween mijn voorliefde voor tekenfilms niet. Sterker nog, de agenda’s en etuis met Hello Kitty en andere cute printjes op kleding zoals konijntjes en eenhoorns bleven aan de orde en ik ging steevast na het shoppen met mijn moeder naar Bart Smit om daar in pluche beestjes te knijpen waar geluid uit kwam. En dan heel hard lachen. Aan mijn uiterlijk was niets te zien, (zoals bij vele afwijkingen) integendeel. Ik was een echte stoere chick, incluis tattoos , hakken en goeie make-up. Maar ik vond het simpelweg leuk om me soms helemaal te laten gaan tussen al dat speelgoed, die schattige gezichtjes van die knuffels te zien of lekker te janken bij een zielige Disney film.
Natuurlijk kwam ik op een leeftijd, een jaartje of 20 was ik, dat ik het persoonlijk ook vreemd begon te vinden, die aantrekkingskracht op speelgoedafdelingen en het medelijden met mijn knuffelbeesten die ik nu echt eens moest doneren aan weeshuizen. Was er iets mis met mij? Ik heb het toen serieus gepoogd: een glitter-, lintjes-, sprookjes-, pluche- en roze vrij leven.
Maar shit, wat was dat wegstoppen van mijn identiteit! Vaak vergat ik ook dat ik het eigenlijk “niet meer kon maken.” Dat ik er nu wel een beetje “te oud” voor werd. En dan maar te zwijgen over de schok van de heren die weleens spontaan bleven slapen: een echte sexy vamp in de kroeg, die je dan meeneemt naar haar huis en waar je vervolgens moet douchen met Hello Kitty glitterbadspul. Tja.
De laatste jaren wordt mijn drang om elke Bart Smit in te lopen iets kleiner, maar volledig verdwijnen zal het waarschijnlijk nooit. Ik heb het me vaak afgevraagd: Kan ik mijn jeugd niet loslaten? Is het de terugval van het gemis van een échte jeugd, die ik door een geesteszieke vader heb moeten missen? Wil ik niet toegeven aan het feit dat ik verantwoordelijkheden heb, volwassen ben? Of vind ik het, minder negatief gezien, gewoon leuk om me af en toe in een wereld te begeven die wellicht niet bestaat, maar wel gewoon lekker helemaal van mij is? Waar eenhoorns wél bestaan, waar tekenfilms de wereld is van mensen die hun fantasie nog niet verloren zijn en waar er geen ellende, geouwehoer en geweld is? Ik moet zeggen: het interesseert me geen ruk meer. Omdat het simpelweg een deel is van MIJ. En zolang mijn stoornis geen K3-achtige vormen aanneemt, is er geen reden tot zorgen.
Bovendien, die Hello Kitty pantoffels en Winnie de Pooh sokken op de damesafdeling van de H&M liggen er niet omdat ik de enige ben, toch?

