Niet alleen ben ik dol op taal en boeken, ik ben ook dol op boeken over taal. Boeken als Taal is zeg maar echt mijn ding en Weg om legging. En nu is er Hun hebben de taal verkwanseld, van taalonderzoeker Jan Stroop.
De uitdrukking ‘hun hebben’ is voor veel mensen een doorn in het oog. Zo erg dat de uitdrukking verkozen werd tot grootste taalergernis van 2009. Dit jaar is de verkiezing gewonnen door ‘me moeder’, maar op de tweede plaats staat met een miniem verschil ‘hun hebben’. Onderzoeker Stroop houdt zich niet bezig met de irritatiefactor van ‘fout’ taalgebruik, maar met de oorsprong. Taal is namelijk niet een dood iets, maar een levend iets en derhalve aan verandering onderhevig.
Luister maar eens naar een polygoonjournaal of probeer de oudste Nederlandse teksten vlot te lezen en je hoort en ziet dat het Nederlands enorm veranderd is. Nu kan taal op twee manieren veranderen; doordat uitspraken in de loop der jaren wijzigen, of doordat een stel taalkundigen in een vergadering beslist dat woorden opeens anders gespeld moeten worden. Het laatste was het geval bij de spellingwijzigingen van 1995 en 2005, waardoor we opeens pannenkoek en paardenbloem moeten schrijven, ook al zegt niemand panneNkoek, maar pannekoek. Grammaticaal klopt deze wijziging, maar toch slaat het nergens op om letters toe voegen in een woord, die door niemand uitgesproken worden. Dit fenomeen wordt door Stroop ‘spookspelling’ genoemd en is een van mijn favoriete onderwerpen uit het boek.
Voorstanders van ‘pannenkoek’ zouden kunnen zeggen dat we wel vaker de letter n opschrijven zonder hem uit te spreken. De slot n wordt namelijk ook zelden tot nooit uitgesproken; “Zoude kunne zegge dat we…etc.”. Maar de slot n is eeuwenlang wél uitgesproken geweest en daar komt deze letter ook vandaan. De spook n in pannenkoek en ruggengraat is nooit gangbaar geweest.
In zijn boek staat Stroop niet alleen stil bij spelling, maar ook bij uitspraak. Stroop heeft veel stof doen opwaaien bij zijn onderzoeken naar en uitspraken over het Poldernederlands. Een nieuwe standaardtaal, voornamelijk gesproken door hoogopgeleide vrouwen. Stroop verwacht dat het ABN verdrongen gaat worden door het Poldernederlands, een verwachting die bij veel mensen voor blinde paniek zorgt, want het ABN is hét Nederlands en derhalve heilig. Mis. ABN is namelijk nieuwer dan de meeste dialecten en ook aan verandering onderhevig.
Kortom, Stroop gaat veel dieper in op het fenomeen dat de Nederlandse taal is dan boeken als ‘Taal is zeg maar echt mijn ding’ en ‘Weg om legging’. In de laatste twee boeken wordt voornamelijk geobserveerd, maar Stroop observeert, onderzoekt en verklaart. Hierdoor is het boek iets minder toegankelijk dan bijvoorbeeld ‘Taal is zeg maar echt mijn ding’, maar wel vele malen leuker.
Ik wil nog wel eens de fout maken om het werkwoord ‘beseffen’ wederkerig te maken, door te zeggen of typen ‘ik besef me’. Anno nu is dat fout. Maar in de middeleeuwen was ‘zich beseffen’ goed Nederlands en is het woordje ‘zich’ weggeëvolueerd. Nu komt het langzaam weer terug en dat is een natuurlijke taalverandering. Met ‘zich herinneren’ gebeurt juist het tegenovergestelde. Steeds vaker zeggen en schrijven mensen ‘ik herinner dat’ of ‘wij zullen hem herinneren’.
Van dit soort feiten was ik niet eerder op de hoogte. Op school heb ik goed geleerd hoe ik alles moest spellen, maar van het waarom weet ik bijzonder weinig. Dat waarom verklaart Stroop op een zeer toegankelijke wijze en daarom zal ik vanaf nu minder spastisch reageren als ik een taal’fout’ maak en niet meer honderd keer oefenen op het woord ‘wesp’ maar gewoon toegeven aan mijn taalgevoel en ‘weps’ zeggen.
‘Hun hebben de taal verkwanseld’ krijgt van mij dan ook vier van de maximaal vijf roze kogels. Leerzaam, interessant en ook bijzonder onderhoudend.

