De jongen met de Pet en het meisje met het Vooroordeel

Ik heb een vooroordeel. Ik doe hardnekkig alsof het niet zo is, brave linkse rakker dat ik ben. Maar ik voel me ongemakkelijk bij deze jongen. Hij loert naar me. Al de hele treinrit. Zijn bijzonder voorkomen is niet pluis.

Een veel te grote pet, scheef. Hij knarst wat met zijn gouden tand. Zit diep weggedoken in zijn capuchontrui. Met een blauw traantje onder zijn oog. Ik vraag me af waar hij heen gaat en hoe ‘ie de dag gaat doorbrengen. Ergens rondhangen en meisjes na pssst-psssten? Blikje Red Bull jatten bij de To Go? Vanavond in de stad een relletje schoppen met mede-schorriemorrie?

En natuurlijk diep van binnen heel ongelukkig… mijmer ik. Ik tuur naar mijn krantje.

Hij haalt zijn neus op en stuurt zijn blik nog wat strakker richting de mijne. Zijn kin kruipt uit de trui. Met een diepe ademhaling buigt hij langzaam naar voren. Schraapt zachtjes zijn keel.

Ongelukkig of niet, mijn paniek behaalt zijn hoogtepunt. Ik trek de Spits nog iets verder voor mijn gezicht. Vanachter het papier gluur ik naar de medereizigers naast me – HELLUP! ZIEN JULLIE DIT DRAMA WEL?!!

Dan klinkt er een zachte stem:

‘Mevrouw…?’

Sterk en kalm laat ik mijn Spits iets zakken. Ik laat me niet gek maken, ha! – en zet mijn koelste blik op.

‘Mevrouw,’ zegt hij nogmaals, ‘er staat een Sudoku op de achterkant van uw krant. Mag ik hem misschien hebben als u hem uit heeft?’

Ik knipper met mijn ogen….en laat stiekem ook een klein traantje.