Ik was al een tijdje geïntrigeerd door de kaft van Extreem Luid en Ongelooflijk Dichtbij van Jonathan Safran Foer, steeds als ik het in de Bruna op het station zag liggen. Dus toen ik toe was aan een nieuw boek, heb ik het snel gekocht.
Het boek gaat over de negenjarige Oskar, een nogal vroegwijs (zeg maar gerust hoogbegaafd en licht autistisch) jongetje in New York dat naar eigen zeggen “uitvinder, sieradenontwerper, amateur-entoloog, Francofiel, veganist, origamist, pacifist, slagwerker, amateur-astronoom, computerdeskundige, amateur-archeoloog, verzamelaar van: zeldzame munten, vlinders die een natuurlijke dood zijn gestorven, miniatuurcactussen, Beatles-memorabilia, halfedelstenen en nog veel meer” is. Oskar heeft zijn vader verloren tijdens de aanslagen van 11 september en kan het verlies maar moeilijk verwerken.
Zijn moeder praat niet veel, maar heeft intussen wel een nieuwe vriend en zijn klasgenootjes vinden hem maar vreemd. Zijn oma woont aan de overkant van de straat en met haar heeft Oskar een bijzondere band. Op een dag vindt Oskar tussen de spullen van zijn vader een vaas met daarin een envelop waar een sleutel in zit. Op de envelop staat “Black” geschreven, met rode pen. Oskar besluit uit te zoeken welk slot bij de sleutel hoort, in de hoop meer te weten te komen over wat zijn vader bezighield.
De zoektocht door New York die volgt is redelijk bizar, niet op zijn minst doordat hij door een negenjarige wordt beschreven. Al snel ontdekt Oskar dat ‘Black’ een naam moet zijn. Immers, vertelde de mevrouw van de knutselwinkel hem, als mensen een gekleurde pen uittesten schrijven ze de naam van die kleur op (“rood” dus, in Oskars geval) en niet een andere kleur (“zwart”). Bovendien is Black met een hoofdletter geschreven. Er zijn natuurlijk heel veel mensen in New York die Black heten dus Oskar gaat maandenlang op pad.
Het boek is werkelijk geniaal geschreven: Foer produceert soms de mooiste zinnen. Wat te denken van:
“Verlegenheid is als je je afkeert van iets wat je wilt. Schaamte is als je je afkeert van iets wat je niet wilt.” (p. 194) of
“Ik vroeg hem of hij een racist was. Hij zei dat hij nerveus werd van armoede, niet van mensen.” (p. 210)
Ik sluit me wat Foers talent betreft volledig aan bij de lovende kritieken op dit boek.
Echter, op sommige momenten wordt het me allemaal iets té postmodern. Tussengevoegde pagina’s met tekeningen of foto’s of pagina’s waar steeds maar één woord op staat hebben zo hun functie en kan ik goed hebben. Maar een hoofdstuk dat naar het einde toe onleesbaar wordt doordat de letters steeds meer in elkaar geschoven worden roept bij mij twijfels op over de relevantie van deze verhaallijn.
Sommige hoofdstukken worden niet door Oskar verteld maar door (zo blijkt later) zijn opa. “Aan mijn ongeboren kind,” begint hij zijn verhaal steeds. Deze hoofdstukken zijn niet allemaal even makkelijk door te komen, zeker als je nog niet weet waar ze toe gaan leiden. En ook de verhalen van Opa zijn af en toe absurdistisch: hij beschrijft hoe hij niet meer praat en alles opschrijft. Hoe hij samenwoont met zijn vrouw en ze hun huis hebben opgedeeld in Iets- en Nietsplekken. Hoe zijn vrouw haar levensverhaal opschrijft en honderden lege vellen produceert omdat haar ogen zogezegd “prut” zijn.
Kortom: een zeer fascinerend boek. Geniet van Foers schrijftalent maar bereid je voor op een flinke portie postmoderniteit.

