Ziek in de kop

Ik werd tijdens het hardlopen staande gehouden door een meisje op een vouwfiets. “Wat is de kortste route naar het ziekenhuis?” vroeg ze. Ik keek naar haar. Ze was rond de twintig en had een grote verzameling bloedrode krassen in haar hals en op haar bovenarm.

“Jezus,” zei ik “gaat het?”
“Ja hoor,” was haar niet erg overtuigende antwoord.
“Wat is er gebeurd?”
“Dat heb ik zelf gedaan.”

Ik tastte in mijn zakken. “Ik heb geen telefoon bij me,” zei ik.
“Ik wel,” zei ze en ze gaf me haar telefoon.
“Laten we de huisartsenpost bellen,” stelde ik voor.
“Dat heb ik al geprobeerd maar die willen me niet helpen. Want ik ben ziek in de kop.”
Ze keek erg droevig.

Ik keek van links naar rechts de straat in, alsof ik daar de oplossing zou vinden.

“Zeg me nu maar hoe ik bij het ziekenhuis kom,” zei ze droevig.
“Is er iemand die ik voor je kan bellen?” probeerde ik.
“Nee. Ik woon hier niet. Ik logeer bij iemand.”
“En die kan je niet helpen?”
“Nee, die slaapt nog. En wil me niet helpen. Ik ben ziek in de kop.” Er stonden tranen in haar ogen.

Ik keek naar haar telefoon, en weer de straat af. Ik wist niet goed hoe ik haar kon helpen.

“Als je de weg naar het ziekenhuis niet weet, dan vraag ik wel iemand anders.”
“Oké,” zei ik toen, “naar welk ziekenhuis moet je?” en ik wees haar de weg.
Ze stapte op en fietste weg.

Ik begon weer te hollen maar had direct spijt. Het was minstens twintig minuten fietsen naar het ziekenhuis en ik was er helemaal niet van overtuigd dat ze er veilig zou aankomen. Ik had meer moeten aandringen. Misschien haar ouders moeten bellen. Ze had me aangekeken met een hulpbehoevende blik, maar zei geen hulp te willen. Wat had ik kunnen doen? Of beter gezegd: wat had ik moeten doen?