Zo vies als een Turk

Er zijn weinig zekerheden in het leven, maar dat mijn moeder nooit of te nimmer een spreekwoord correct uit zal spreken is er een. Meestal zijn haar spreekwoorden net zo goed of beter dan de oorspronkelijke versie, maar soms…

“Zo vies als een Turk.” Het heeft me jaren gekost, maar ik heb het haar al in geen tijden meer horen zeggen. Ik krimp nog ineen bij de gedachte aan mijn moeder op het terras in Amsterdam die, toen ik mijn hoofd weer eens had ingezeept met diverse lekkernijen, luidkeels verkondigde; “Ga je wassen, je bent zo vies als een Turk”. Ze begreep natuurlijk zelf ook wel dat het op zijn zachtst gezegd niet politiek correct was (oftewel knetterracistisch, wat in het huidige politieke klimaat gewoon weer schijnt te mogen). Mijn moeder is veel dingen, maar racistisch is ze absoluut niet. Mijn oma was dat overigens wel en ik vermoed dat daar de uitdrukking ook vandaan komt. Iets afleren wat je al sinds je kindertijd zegt blijkt echter nog knap lastig. Zo betrap ik mezelf nog steeds weleens op jeukende muggenbulden, of grijp ik naast handvaten. Ik heb zelfs een keer vanachter een Utrechtse bar verzucht dat het koffiezetapparaat ermee was uitgeschejen (vertaling: opgehouden, kapot was), tot verbijstering van de Randstedelijke clientèle. En vertrekken doe ik nooit, in tegenstelling tot aanlopen, aanfietsen en aanrijden.

Maar we hadden het over mijn geweldige moeder en haar creatieve taalgebruik. Het huisgemaakte spreekwoord wat zij het vaakst bezigt is: “Er vallen geen appels onder een perenboom”. Een waarheid als een koe natuurlijk, en bovendien een liefdesbaby van ‘De appel valt niet ver van de boom’ en ‘Je kunt geen appels met peren vergelijken’. Het betekent eigenlijk zoiets als, ‘Je kunt wel zeuren, maar eigenlijk ben je precies hetzelfde als je ouders/kinderen’. Het is de perfecte dooddoener om iemand de mond te snoeren die mekkert over zijn kroost, danwel vader of moeder. Wat stiekem best vaak voorkomt.

Maar er zijn ook mensen die doelbewust de verkeerde woorden kiezen. Zo heb ik een vriend, die het indrukwekkende vooruitzicht had om op zijn twaalfde zijn jongere zussen het foutieve meervoud van fotoalbum aan te leren. En zoals het een waar evil genius betaamt, buldert zijn lach der Schadenfreude door de ruimte wanneer hij smakelijk vertelt hoe zijn zusjes tijdens hun studententijd publiekelijk voor lul stonden met hun nietsvermoedende gebruik van het woord, fotoalba. Een fotoalbum, twee fotoalba. Geniaal!

Ik heb echter het hardst om een spreekwoord gelachen tijdens een verhit potje Triviant met mijn huisgenoten. Picture it: Tilburg 1999. Mijn alfabrein in heftige strijd verwikkeld met twee wiskundeleraren in opleiding. Ik was aan het winnen, vooral dankzij de abominabele letterenkennis van de concurrentie. Van een kaartje lees ik de volgende bruine vraag: “Op welke spreekwoordelijke gedroogde vrucht kan men ook wel zitten?” Triomfantelijk schreeuwt de lerares in spé het antwoord: “Op je pruim!!!”