“Ach, daar heb je toch je vriendje voor…?” De meneer van de bouwmarkt kijkt mij met een glimlach aan. De neiging om hem over de toonbank heen te trekken is groot. Erg groot. Als ik een vriendje had, beste man, stond ik hier nu zelf niet.
Dan stond ik niet hier op mijn hakken en wapperende haren om vier kuub wit zand te bestellen en twintig vierkante meter aan stoeptegels. Als ik een vriendje had, werd dit voor mij geregeld. Ik kijk de man een keer geïrriteerd aan en zucht. “Ik wil graag pinnen…”
De laatste tijd lijk ik verdacht vaak twee verschillende groepen mensen tegen te komen; de mensen die er vanuit gaat dat ik een relatie heb en zich niet kunnen vóórstellen dat ik vrijgezel ben én een groepje mensen dat mij heeft opgegeven. Ook een kwalijke zaak. De eerste groep -Ach nee, jíj, vrijgezel?- haalt het bloed onder mijn nagels vandaan. Ik schreef er al eerder een column over en dreigde dat er gewonden zouden vallen. Dát is nog niet gebeurd, maar zie dit als een laatste waarschuwing. Er is niets zo frustrerend als mensen die blíjven vertellen hoe leuk je wel niet bent, hoe mooi je wel niet bent en dat alle mannen blind zijn als ze dat niet zien. Dat ze gek zijn om mij te laten lopen. Want als we de feiten op een rijtje gaan zetten, lopen de theorie en de praktijk elkaar volledig mis in deze. En discussie die daarop volgt over dat ik dan vast te keuskeurig zal zijn heb ik ook helemaal gehad. Ik geloof er heilig in dat er niet zoiets bestaat als tè kieskeurig, volgens mij is er niets mis met een paar eisen en is settelen voor minder, gedoemd om te mislukken. Nee, dan blijf ik nog even vrijgezel.
De andere groep, zij die mij hebben opgegeven, is betrekkelijk nieuw. Maar deze trend lijkt hard in populariteit te stijgen. Hij komt voort uit de eerste groep, mits dat deze groep met de jaren is gaan twijfelen. Zo zei een cliënt van mij laatst toen we een leuk groepsgesprek hadden over trouwen; ‘Ach, tegen de tijd dat jij gaat trouwen, zijn wij allemaal allang dood’. Au!
Gelukkig kan ik dat goed relativeren; die man is immers niet helemaal goed bij zijn hoofd.
Gradatie erger; Via via hoorde ik dat mijn collega’s graag een etentje wilden houden mét aanhang. Ééntje had geprotesteerd en gezegd dat dat niet leuk zou zijn voor mij –mijn held- waarop een andere collega zich afvroeg; ‘Moeten we daar écht op wachten?’ Au, mensen, au!
Of een spelletjesavond met de vriendengroep waarbij de conclusie is dat ik tóch écht een vent mee moet brengen óf moet wegblijven omdat dit ‘gewoon lastig is met teams maken’.
Laatst zei een vriend van mij dat één op de drie relaties stuklopen. Lullig natuurlijk voor die mensen, maar dat biedt ook weer perspectief. Ik concludeer daaruit dat als ik straks eindelijk mijn vent heb gevonden, een groot deel van mijn omgeving weer vrijgezel is. En dan weet ik précies wat ik tegen hen moet zeggen…
Dát zal ze leren…

